We willen gewoon een veilig pensioen dat de inflatie bijhoudt.

Hoe moeilijk kan dat nou zijn?

Factcheck!

Iedereen wil een zorgeloze oude dag. Vraag een gemiddelde Nederlander wat een goed pensioen is, en je hoort twee dingen:

  1. “Ik wil zeker weten wat ik elke maand krijg” én
  2. “Ik wil dat mijn pensioen meegroeit met de prijzen in de supermarkt.”

Simpel toch: zekerheid én koopkracht. Hoe moeilijk kan dat nou zijn?

Met de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel (door de Wtp) is dit ineens een groot onderwerp geworden. Want je hoort nu steeds dat we “meer risico gaan nemen” en dat pensioenen “beweeglijker” worden. Maar we hadden in het oude stelsel toch zo’n veilig en met de inflatie meegroeiend pensioen? Is die hele pensioenbranche en de politiek dat nu zomaar stuk aan het maken?

Wat klopt er nou wel en wat klopt er nou niet?

Je weet het als je deze korte heldere factcheck gelezen hebt.

Rendement en risico

Eerst even over het oude pensioenstelsel

Daar hadden we toch garanties en recht op indexatie?

Nou, een soort van. Maar niet helemaal. Of meestal zelfs, helemaal niet.

In het oude stelsel werd gestreefd naar garanties en het bijhouden van de inflatie door verhogen van de pensioenen via indexatie. In het verleden zorgden heel wat werkgevers er voor dat dat ook lukte. Als het fonds tekort kwam pluste de werkgever het verschil bij.

Maar dat is al lang niet meer zo. Dat kon nog in een tijd dat staatobligaties 4, 5, 6 soms wel 8% rendement opbrachten. Door een flink deel van het vermogen in die staatsobligaties te beleggen was dat deel van het vermogen veilig en werd toch een aardig rendement behaald. Dan was de kans dat de werkgever moest bijplussen klein en het bij te storten bedrag te overzien.

Maar al jaren zijn de rentes een stuk lager en dan levert dat veilige deel van de beleggingen te weinig op. Daardoor kan een werkgever tegenwoordig makkelijk failliet gaan aan zo’n verplichting om bij een tekort het fonds te moeten bijbetalen. Daarom betaalt bijna geen enkele werkgever meer bij, als het fonds te weinig geld heeft om te indexeren.

In het oude stelsel wordt gestreefd naar garanties, maar dat is wat anders dan je zonder meer garanties krijgt. In het oude stelsel heb je een voorwaardelijk recht op een bepaald pensioen en een voorwaardelijk recht op indexatie.  Die rechten heb je dus alleen als er aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Bijvoorbeeld dat het fonds het kan betalen en dat het eerlijk uitpakt voor alle generaties. Aan die voorwaarden wordt niet altijd voldaan. Vandaar dat de afgelopen jaren lang niet altijd de pensioen zijn geïndexeerd. En dat betekent ook dat bijna niemand recht heeft op “inhaalindexatie”. Ook niet in het oude pensioenstelsel, al zijn er mensen en zelfs organisaties die je wat anders willen laten geloven.

Hoe het in het nieuwe pensioenstelsel zit

In het nieuwe pensioenstelsel wordt niet meer gestreefd naar garanties en zekere indexatie, omdat het simpelweg zo duur is dat dat niet te realiseren is. Daardoor kan het deel van het pensioengeld dat veilig belegd moet worden tegen een laag rendement een stuk kleiner worden. Met meer beleggingsvrijheid, kunnen nieuwe keuzes gemaakt worden. Slimmere.

De keuze: Rust in de tent voor gepensioneerden

In het oude stelsel was er één belegginsstrategie voor alle deelnemers en gepensioneerden. In het nieuwe stelsel wordt er meer onderscheid gemaakt tussen jong en oud als het gaat om beleggen en risico’s nemen.

  • Jongeren: Voor hen wordt er offensief belegd. Zij hebben nog 30 ~ 40 jaar om eventuele mindere beursjaren op te vangen. Zij lopen risico in de zin dat hun pensioenvermogen een periode kan dalen. In ruil daarvoor krijgen ze een hoger verwacht rendement op de lange termijn. En die lange termijn hebben ze ook nog, dus dat sluit mooi op elkaar aan.
  • Gepensioneerden: Voor hen staat stabiliteit op één. Zij hebben geen lange termijn, hun pensioen is (bijna) nu. Zij zitten (normaal gesproken) niet te wachten op een uitkering die het ene jaar 15% hoger is en het jaar erop 15% lager. Ze moeten er de vaste lasten van betalen, dus dan wil je weten waar je aan toe bent.
    Daarom wordt er voor gepensioneerden in het nieuwe stelsel voorzichtig (‘defensief’) belegd. Pensioenfondsen dekken het renterisico volledig of in elk geval grotendeels af en stoppen minder geld in risicovolle aandelen. Het doel is een stabiele uitkering waarop je kunt vertrouwen.

De keerzijde van de medaille

Die keuze voor veiligheid is verstandig, maar het heeft ook een prijs. En die prijs betalen we met… koopkracht.

Om de inflatie (soms wel 4% of 5% of zelfs nog hoger) bij te houden, moet je geld hard groeien. En om geld hard te laten groeien, moet er belegd worden in zaken die risico met zich meebrengen (zoals aandelen). Maar de veiligheid die we voor gepensioneerden kiezen, remt die groei automatisch af.

Bij veel pensioenfondsen zien we beleggingen in aandelen voor gepensioneerden tussen de 30% en de 40%. Dat betekent dus aan de ene kant meer zekerheid maar aan de andere kant (waarschijnlijk) minder koopkrachtbehoud.

Vergelijk het met autorijden.

  • Wil je veilig op je bestemming aankomen? Dan rijd je 90 km/u op de snelweg, blijf je rechts rijden houd je flink afstand. Je komt veilig aan, maar het duurt wat langer.
  • Wil je snel op je bestemming zijn? Dan moet je meer gas geven, assertief inhalen, en op de linkerbaan “duidelijk laten merken” dat je er langs wilt. Maar dan is de kans op een ongeluk wel een stuk groter.

De harde waarheid

In het nieuwe stelsel kiezen pensioenfondsen voor gepensioneerden bewust voor de veilige rechter rijbaan. Dat betekent:

  • De kans dat een pensioen ineens met 10% wordt verlaagd, is bijzonder klein (dankzij de bescherming en de aanwezigheid van de solidariteitsreserve). Dat is het goede nieuws.
  • De kans dat een pensioen volledig meegroeit met een hoge inflatie, is daardoor óók kleiner. Het rendement in de “veilige pot” is daar vaak simpelweg niet hoog genoeg voor.

Trouwens, het pensioenfonds verzint het beleggingsbeleid voor gepensioneerden niet zomaar zelf. Dit volgt uit het wettelijk verplichte Risico Preferentie Onderzoek.  Gepensioneerden als groep kunnen daarbij zelf aangeven hoeveel veiligheid ze willen in verhouding tot de kans op pensioenverhogingen.

Conclusie van de factcheck

“Hoe moeilijk kan het zijn?”

Heel erg moeilijk. Onmogelijk eigenlijk.

De belofte van “koopkrachtbehoud” is in de pensioenwereld de heilige graal, maar in de praktijk simpelweg onmogelijk als je tegelijk ook zekerheid wilt.

Het nieuwe stelsel is in dat opzicht slimmer, omdat het veel meer rekening houdt met de verschillen in beleggingshorizon van verschillende leeftijdsgroepen. Het is ook transparanter en minder misleidend omdat het glashelder maakt dat er geen garanties of recht op indexatie bestaat.

Maar we moeten wel realistisch blijven: door te kiezen voor een stabiele uitkering voor ouderen, kies je automatisch impliciet dat hun pensioen in jaren van hoge inflatie waarschijnlijk achterblijft bij de prijzen in de winkel. Dat is geen weeffout in de wet, dat is geen onwil, dat is simpelweg de prijs van zekerheid.

————————————————-

Disclaimer: Dit artikel schetst de algemene werking van risicohouding in de uitkeringsfase van het nieuwe stelsel. De specifieke inrichting verschilt per pensioenfonds.

Veelgestelde vragen en antwoorden

Nee. We hadden vooral de suggestie van garanties.

In het oude stelsel werd gestreefd naar zekerheid en indexatie. Maar streven is iets anders dan krijgen. Je had een voorwaardelijk recht op pensioen en een voorwaardelijk recht op indexatie. Alleen als het fonds het kon betalen én het evenwichtig was voor alle generaties.

In de tijd van 5% tot 8% rente op staatsobligaties was dat haalbaar. Werkgevers sprongen bij als het nodig was. Maar die wereld is verdwenen. Lage rente maakte garanties duurder dan ooit. Werkgevers bij laten storten? Dat is tegenwoordig eerder een faillissementsrecept dan een vangnet.

De harde realiteit: de afgelopen jaren is er massaal níet geïndexeerd. Dat is geen weeffout. Dat is het gevolg van een systeem dat meer beloofde dan het kon waarmaken.

Conclusie: het oude stelsel bood geen harde garanties, maar hoop met voorwaarden.

In de praktijk: bijna nooit.

Veel mensen denken dat gemiste indexatie later wordt ingehaald. Dat klinkt logisch. Maar juridisch klopt het meestal niet. Ook in het oude stelsel was indexatie afhankelijk van financiële ruimte.

Geen ruimte? Geen indexatie. En dus ook geen automatische inhaalindexatie.

Dat sommige partijen doen alsof dit recht er wél was, is begrijpelijk vanuit emotie. Maar feitelijk onjuist. En pensioen draait uiteindelijk niet om emotie, maar om rekensommen.

Kort gezegd: wat niet is toegekend, was meestal ook nooit gegarandeerd.

Omdat ze onbetaalbaar zijn geworden.

Garanties vragen om veilig beleggen. Veilig beleggen levert lage rendementen op. Lage rendementen maken pensioen duur. Te duur.

In het oude stelsel werd gestreefd naar garantie. Dat wekte de schijn van een absolute garantie. In het nieuwe stelsel wordt dat streven naar zekerheid deels losgelaten. Daardoor hoeft er minder in “veilige maar magere” beleggingen te zitten. Dat geeft ruimte voor slimmer beleggen en meer maatwerk per leeftijdsgroep.

Het nieuwe stelsel zegt eerlijk wat het oude stelsel verzweeg: zekerheid en koopkrachtbehoud tegelijk? Dat kan alleen tegen astronomische kosten die bijna geen enkele werkgever kan betalen.

Nee, voor gepensioneerden en mensen die bijna pensioneren wordt extra veilig belegd om zo meer stabiliteit te creëren.

Een 30-jarige kan een beursdip uitzitten. Die heeft nog 35 jaar om te herstellen. Een gepensioneerde niet. Die moet volgende maand zijn energierekening betalen.

Daarom wordt voor gepensioneerden meestal 30% tot 40% in aandelen belegd en wordt renterisico grotendeels afgedekt. Dat beperkt grote schommelingen in de uitkering. In het oude pensioenstelsel kon geen onderscheid maken voor verschillende leeftijdsgroepen. Wat dat betreft is het nieuwe stelsel slimmer.

Die stabiliteit heeft wel een prijs.

Die wordt “betaald” in koopkrachtbehoud. Bij hoge inflatie zullen de veilige beleggingen misschien niet genoeg rendement opleveren om de hele inflatie bij te kunnen houden.

Nee. Het oude stelsel trouwens ook niet.

Om inflatie van 4% of 5% bij te houden, moet je stevig rendement maken. En rendement komt met risico.

In het nieuwe stelsel is de kans op een abrupte korting van 10% klein, mede dankzij de solidariteitsreserve. Dat is goed nieuws. Maar die bescherming betekent óók dat het moeilijker wordt om bij hoge inflatie volledig mee te groeien.

De wet is daar eerlijk over. Er is geen recht op indexatie. Geen verborgen garantie.

Via het wettelijk verplichte risicopreferentieonderzoek mogen gepensioneerden overigens zelf aangeven hoeveel risico ze willen lopen. Maar meer koopkrachtkans betekent altijd meer onzekerheid.

Zekerheid en volledige koopkrachtbescherming tegelijk willen

dat is als én droog willen blijven én zonder paraplu door de regen willen lopen.

Jeroen Tuijp
Actuaris – Partner